leegloop

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • leeg·loop
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord leegloop leeglopen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

leegloop m

  1. (economie) de tijd dat een productiemiddel geen productie levert
  2. (sociologie) het wegtrekken van de bevolking uit een bepaald gebied
  3. vertrek van klanten of mensen die gebruikmaken van een voorziening
     Ook heeft het inspectierapport op dit moment geen invloed op de schoolkeuze van ouders. Bovendien heeft het volgens het hof geen leegloop van de school veroorzaakt.[1]
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
leeglopen

leegloop

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van leeglopen
    • ... dat ik leegloop. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Tjerk Gaulthérie van Weezel en Rik Kuiper “Gerechtshof brandt vingers niet aan inspectierapport over Haga Lyceum” (24 december 2019), de Volkskrant
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be