leden
Uiterlijk
- le·den
de leden mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord lid [1] [2]
- ▸ 'Het getal vier is een prettig getal geworden sinds het gezin uit vier leden bestaat', schrijft Anna Enquist in haar roman Contrapunt.[3]
- ▸ Toernooien werden soms door vorsten georganiseerd, maar meestal door leden van de hoge adel (de baronnen) die zich op deze manier verzekerden van status en invloed.[4]
- Het ligt mij op de leden
- Iets onder de leden hebben
niet helemaal gezond zijn
- ∗ Wat als er echt iets met Bibi aan de hand is? Wat als ze straks dood neervalt? Jonge vrouwen vallen niet zomaar dood neer, maar wat als zij welm Wie moeten we dan om hulp vragen? De nacht doorbrengen in een onherbergzaam gebied is één ding, maar wat als Bibi iets ernstigs onder de leden heeft? Ik heb nog nooit geen dak boven mijn hoofd gehad.[5]
1. meervoud van het zelfstandig naamwoord lid
| vervoeging van |
|---|
| lijden |
leden
- meervoud verleden tijd van lijden
- Wij leden.
- Jullie leden.
- Zij leden.
- Wij leden.
- (verouderd)
- vervoeging van lijden: de stam met de uitgang -en, zonder ge- vanwege voorvoegsel (is gelijk aan de onbepaalde wijs) en een klinkerwisseling ij-ee (IPAː /ɛi/ - /e/)
| vervoeging van: | lijden… |
| geen verbogen vorm | |
leden
- voltooid deelwoord van lijden
- Het woord leden staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "leden" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[6] |
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Lynn Berger“De tweede: over het zijn en krijgen van een tweede kind” (2021), De Correspondent, ISBN 9789082821697
- ↑ Onno van Nijf“Sportgeschiedenis” (2021), Athenaeum - Polak & Van Gennep
, ISBN 9789025312275 - ↑ Marion Pauw e.a.“4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
- le·den
leden, g
- bepaalde vorm nominatief enkelvoud van lede
- IPA: /lɛdɛn/
- le·den
- (tijdrekening) januari; de eerste maand van het jaar
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| nominatief | leden | ledny |
| genitief | ledna | lednů |
| datief | lednu | lednům |
| accusatief | leden | ledny |
| vocatief | ledne | ledny |
| locatief | lednu | lednech |
| instrumentalis | lednem | ledny |
| Maanden in het Tsjechisch | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| leden januari |
únor februari |
březen maart |
duben april |
květen mei |
červen juni |
červenec juli |
srpen augustus |
září september |
říjen oktober |
listopad november |
prosinec december |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- Internetová jazyková příručka - Ústav pro jazyk český AV ČR (Tsjechisch)
- Akademický slovník současné češtiny - Ústav pro jazyk český AV ČR (Tsjechisch)
- Slovník spisovného jazyka českého - Ústav pro jazyk český AV ČR (Tsjechisch)
- Příruční slovník jazyka českého - Ústav pro jazyk český AV ČR (Tsjechisch)
- Česko-německý slovník Fr. Št. Kotta - Ústav pro jazyk český AV ČR (Tsjechisch)
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 5
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandignaamwoordsvorm in het Nederlands
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Verouderd in het Nederlands
- Voltooid deelwoord gelijk aan onbepaalde wijs
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 100 %
- Woorden in het Deens
- Woorden in het Deens van lengte 5
- Zelfstandignaamwoordsvorm in het Deens
- Woorden in het Tsjechisch
- Woorden in het Tsjechisch met IPA-weergave
- Achtervoegsel -en in het Tsjechisch
- Zelfstandig naamwoord in het Tsjechisch
- Tijdrekening in het Tsjechisch
- Mannelijk zelfstandig naamwoord in het Tsjechisch
- Onbezield mannelijk zelfstandig naamwoord in het Tsjechisch
- Maand in het Tsjechisch