leden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·den

Zelfstandig naamwoord

leden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord lid [1] [2]
Uitdrukkingen en gezegden
  • Het ligt mij op de leden
  • Iets onder de leden hebben
niet helemaal gezond zijn
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
lijden

leden

  1. meervoud verleden tijd van lijden
    • Wij leden. 
    • Jullie leden. 
    • Zij leden. 
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

(verouderd)

vervoeging van: lijden…
geen verbogen vorm

leden

  1. voltooid deelwoord van lijden
Hyponiemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen


Deens

Woordafbreking
  • le·den

Zelfstandig naamwoord

leden, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van lede


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·den
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het zelfstandige naamwoord led met het achtervoegsel -en

Zelfstandig naamwoord

leden monbezield

  1. (tijdrekening) januari; de eerste maand van het jaar
Verbuiging
Afkorting
Afgeleide begrippen


Maanden in het Tsjechisch
leden
januari
únor
februari
březen
maart
duben
april
květen
mei
červen
juni
červenec
juli
srpen
augustus
září
september
říjen
oktober
listopad
november
prosinec
december


Meer informatie