Naar inhoud springen

lauweren

Uit WikiWoordenboek
  • lau·we·ren

delauwerenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord lauwer
  2. alleen meervoud (figuurlijk) in het verleden gevierde successen
  • [2] op zijn lauweren rusten
    teren op zijn eerdere successen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
lauweren
lauwerde
gelauwerd
zwak -d volledig

lauweren

  1. bewonderen, eren
92 %van de Nederlanders;
96 %van de Vlamingen.[1]
  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be