lastpak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • last·pak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord lastpak lastpakken
verkleinwoord lastpakje lastpakjes

Zelfstandig naamwoord

lastpak m

  1. een lastig persoon
    • Die lastpak heeft me nóg meer werk bezorgd. 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie