lantaarn
Uiterlijk
- lan·taarn
- via Middelnederlands lanterne en Oudfrans lanterne van Latijn lanterna; in de betekenis van ‘verlichtingstoestel’ aangetroffen vanaf 1240 [1] [2] [3]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | lantaarn | lantaarns |
| verkleinwoord | lantaarntje | lantaarntjes |
- constructie van glas en metaal of hout, zodat wind en regen geen vat op een brandende lichtbron hebben
- De lantaarn in de straat.
- (bouwkunde) bovenste open geleding(en) van een toren, vaak achtkantig
- Deze toren had een spits van lei en waarschijnlijk ook lood en wellicht ook een kleine lantaarn.[4]
- lantaren (uitspraakvariant)
- [2] torenlantaarn
|
|
1. constructie van glas en metaal of hout, zodat wind en regen geen vat op een brandende lichtbron hebben
- Het woord lantaarn staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "lantaarn" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[5] |
- Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ lantaarn op website: Etymologiebank.nl
- ↑ "lantaarn" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ bavo.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 of 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Bouwkunde in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 98 %