landouw

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lan·douw
enkelvoud meervoud
naamwoord landouw landouwen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

landouw v/m

  1. vruchtbaar -gewoonlijk regelmatig overstroomd- veld, weiland of akker; meestal in het meervoud gebruikt
    • De vergezichten over water en landouwen geven deze omgeving een geheel eigen schoonheid. 
Synoniemen

Gangbaarheid

35 % van de Nederlanders;
30 % van de Vlamingen.