lamlendig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lam·len·dig
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van lam en lende met het achtervoegsel -ig : niet in staat zijn lendenen te gebruiken, impotent [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen lamlendig lamlendiger lamlendigst
verbogen lamlendige lamlendigere lamlendigste
partitief lamlendigs lamlendigers -

Bijvoeglijk naamwoord

lamlendig

  1. lui, passief, futloos en zonder inspiratie
  2. beroerd, bedrukkend
    • Het werd een lamlendige zondagnamiddag. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
90 % van de Vlamingen.

Verwijzingen