laksheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • laks·heid
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van laks met het achtervoegsel -heid
enkelvoud meervoud
naamwoord laksheid laksheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

laksheid v [1]

  1. van een persoon dat deze te lui of onnadenkend is om iets te doen
    • Een grote meerderheid vindt het daarentegen wel goed dat de jeugd beschermd wordt tegen middelen die schadelijk zijn. Sommige respondenten vinden dat echter vooral een taak voor de ouders, in plaats van voor de overheid. Een stemmer verwijt ouders laksheid. „Zij kiezen vaak de makkelijkste weg, nemen geen verantwoordelijkheid.” Anderen geloven juist dat voorlichting over de drankjes kinderen ervan weerhoudt ze te drinken.[2] 
    • Terwijl de onvrede bij ’gewone’ Nederlanders groeit over de storingen bij Nederlandse banken, zijn ook programmeurs en netwerkbeheerders verbaasd over de grote problemen door DDoS-aanvallen. Eigenlijk zijn die cyberproblemen redelijk gemakkelijk op te lossen, maar banken falen gewoon, zeggen ze. „Nederland zou wereldwijd koploper moeten zijn. Dit is puur laksheid.”[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf MARTINE DE VENTE 02 feb. 2018
  3. de Telegraaf 30 jan. 2018