lakken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lak·ken

Zelfstandig naamwoord

lakken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord lak
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
lakken
lakte
gelakt
zwak -t volledig

Werkwoord

lakken

  1. overgankelijk van een laklaag voorzien
    • Die houten boot van je mag wel eens opnieuw gelakt worden. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be