Naar inhoud springen

lachend

Uit WikiWoordenboek
  • la·chend
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen lachend
verbogen lachende

lachend

  1. bezig zijn met lachen
    • De lachende meisjes hadden veel plezier. 
     De schoenen slingeren nog steeds over de vloer, de afwas staat nog op het aanrecht, de foto van een vrolijk lachend gezin hangt nog aan de muur.[1]
     ' Ik kijk in haar lachende gezicht, en even doet alles een klein beetje minder pijn.[1]

lachend

  1. bezig zijn met lachen
     'Hè?' 'Uw sigaretten!' De vorige avond had hij verkondigd dat hij naar Malaga moest om sigaretten te kopen en bij een kunstenaar te gaan kijken - misschien ontdek ik wel de nieuwe Picasso, had hij lachend gezegd, alsof de bliksem inderdaad tweemaal op dezelfde plaats zou inslaan.[2]
     'Hè?' 'Uw sigarettenl' De vorige avond had hij verkondigd dat hij naar Malaga moest om sigaretten te kopen en bij een kunstenaar te gaan kijken - misschien ontdek ik wel de nieuwe Picasso, had hij lachend gezegd, alsof de bliksem inderdaad tweemaal op dezelfde plaats zou inslaan.[2]
     'Ik denk niet dat u gek wordt,' zei Teresa, en Olive gaf haar lachend een duwtje tegen haar schouder.[2]
vervoeging van: lachen
verbogen vorm: lachende

lachend

  1. onvoltooid deelwoord van lachen
100 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[3]
  1. 1 2
    Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  2. 1 2 3
    Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be