kwispelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kwis·pe·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kwispelen
kwispelde
gekwispeld
zwak -d volledig

Werkwoord

kwispelen

  1. (inergatief) druk met de staart zwaaien
    De hond kwispelde vrolijk toen hij zijn baasje aan zag komen.
Synoniemen
Vertalingen