kwispelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kwis·pe·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kwispelen
kwispelde
gekwispeld
zwak -d volledig

Werkwoord

kwispelen

  1. inergatief druk met de staart zwaaien
    • De hond kwispelde vrolijk toen hij zijn baasje aan zag komen. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.