kwijlen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kwij·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kwijlen
kwijlde
gekwijld
zwak -d volledig

Werkwoord

kwijlen

  1. een vloed van speeksel dat uit de mond loopt
    • De hond kwijlde bij het zien van het voedsel. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie