kuisheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kuis·heid
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van kuis (stam van het werkwoord kuisen) met het achtervoegsel -heid
enkelvoud meervoud
naamwoord kuisheid -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

kuisheid v

  1. reinheid, zindelijkheid, helderheid
  2. (figuurlijk) (seksualiteit) iemand die in seksueel opzicht kuis leeft, die geen zinnelijkheid en verzoeking kent, afkeer heeft van ongeoorloofde wellust; in ernstige gevallen ook maagdelijkheid
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen