kuisen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kui·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kuisen
kuiste
gekuist
zwak -t volledig

Werkwoord

kuisen

  1. (overgankelijk) schoonmaken, opruimen
    Ze wilde de kamer nog even kuisen.
  2. (overgankelijk) ontdoen van mogelijk aanstootgevend materiaal
    Ze besloten het draaiboek te kuisen om niet in de problemen te komen.