kroosje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kroos·je

Zelfstandig naamwoord

kroosje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord kroos

Gangbaarheid

74 % van de Nederlanders;
67 % van de Vlamingen.