kroos

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kroos
enkelvoud meervoud
naamwoord kroos krozen
verkleinwoord kroosje kroosjes

Zelfstandig naamwoord

kroos o [1]

  1. (plantkunde) een geslacht van vrij op het water drijvende waterplanten uit de familie Lemnaceae op Wikispecies of, tegenwoordig, Araceae op Wikispecies [2] [3]
  2. inkeping in een duig [4] [5]
  3. klokhuis [6] [7]
  4. pruim [8] [9]
  5. rente [10] [11]
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
81 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

Werkwoord

vervoeging van
krozen

kroos

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krozen
    • Ik kroos. 
  2. gebiedende wijs van krozen
    • Kroos! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krozen
    • Kroos je?