krokus
Uiterlijk
- kro·kus
- via het Latijn crocus van Oudgrieks κρόκος (krókos), in de betekenis van ‘plantengeslacht’ aangetroffen vanaf 1591 [1] [2] [3]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | krokus | krokussen |
| verkleinwoord | krokusje | krokusjes |
de krokus m
- (bloemplanten) bepaald geslacht Crocus
uit de lissenfamilie (Iridaceae
), dat 90 soorten omvat, waarvan circa een derde deel herfstbloeiers zijn
- crocus (variant in de officiële spelling tot 1996)
- krokusaanbieding, krokusbloem, krokusbol, krokusfamilie, krokusknol, krokusplant, krokuspot, krokusreces, krokusstempel, krokusvakantie, krokusverlof
- Het woord krokus staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "krokus" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ krokus op website: Etymologiebank.nl
- ↑ "krokus" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 6
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Bloemplanten in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 99 %