Naar inhoud springen

kroezen

Uit WikiWoordenboek
  • kroe·zen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kroezen
kroesde
gekroesd
zwak -d volledig

kroezen

  1. ergatief sterk krullen van haar
    • Mijn haar kroesde altijd maar weinig, maar het hare is sterk gekroesd. 
  2. overgankelijk het doen krullen van haar
    • Kun jij mijn haar even kroezen? 

dekroezenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kroes
87 %van de Nederlanders;
68 %van de Vlamingen.[1]
  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be