krioelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kri·oe·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
krioelen
krioelde
gekrioeld
zwak -d volledig

Werkwoord

krioelen

  1. in grote aantallen willekeurig door elkaar heen bewegen
    (…) de talrijke wandelaars krioelen in hun bonte kledij dooreen en overal is gezang, gedans, gejuich.[3]
  2. vol zijn, druk zijn
    De straten krioelen hier van de toeristen.
    Het krioelde hier van de mieren.

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Lennep, J. van (ed. J. van der Wiel) De roos van Dekama. (2003) Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam; ISBN 9025331424; p. 583; geraadpleegd 2016-11-20