krioelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kri·oe·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
krioelen
krioelde
gekrioeld
zwak -d volledig

Werkwoord

krioelen

  1. in grote aantallen willekeurig door elkaar heen bewegen
    (…) de talrijke wandelaars krioelen in hun bonte kledij dooreen en overal is gezang, gedans, gejuich.[3]
  2. vol zijn, druk zijn
    De straten krioelen hier van de toeristen.
    Het krioelde hier van de mieren.
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Lennep, J. van (ed. J. van der Wiel) De roos van Dekama. (2003) Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam; ISBN 9025331424; p. 583; geraadpleegd 2016-11-20