krioelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kri·oe·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
krioelen
krioelde
gekrioeld
zwak -d volledig

Werkwoord

krioelen

  1. willekeurig door elkaar heen bewegen van grote aantallen
    Het krioelde hier van de mieren.
    Een krioelde hier van de toeristen.