kriegelig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • krie·ge·lig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen kriegelig kriegeliger kriegeligst
verbogen kriegelige kriegeligere kriegeligste
partitief kriegeligs kriegeligers -

Bijvoeglijk naamwoord

kriegelig

  1. makkelijk gedreven tot een boze stemming, in een slecht humeur, prikkelbaar
    • Ik word er kriegelig van als mensen mijn schaar gebruiken en niet terugleggen in de la. 
Synoniemen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
65 % van de Vlamingen.