kriebelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • krie·be·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kriebelen
kriebelde
gekriebeld
zwak -d volledig

Werkwoord

kriebelen

  1. licht jeuken
    • De nieuwe wollen trui kriebelde enorm. 
  2. met heel kleine letters schrijven
    • De bijziende vrouw kriebelde haar naam onleesbaar klein op het formulier. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.