kriebel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • krie·bel
enkelvoud meervoud
naamwoord kriebel kriebels
verkleinwoord kriebeltje kriebeltjes

Zelfstandig naamwoord

kriebel m

  1. Een ongemak dat jeuk, hoest of irritatie veroorzaakt. Ook in de figuurlijke zin.
    • Ik krijg de kriebels van hem 

Werkwoord

vervoeging van
kriebelen

kriebel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kriebelen
    • Ik kriebel. 
  2. gebiedende wijs van kriebelen
    • Kriebel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kriebelen
    • Kriebel je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie