kreukel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kreu·kel
enkelvoud meervoud
naamwoord kreukel kreukels
verkleinwoord kreukeltje kreukeltjes

Zelfstandig naamwoord

kreukel v/m

  1. ongewenste vouw
    Er zaten veel kreukels in haar kleding want ze had geen tijd gehad ze glad te strijken.
  2. in de kreukels: helemaal kapot
    Die auto ligt helemaal in de kreukels na het ongeval.
  3. alikruik

Werkwoord

vervoeging van
kreukelen

kreukel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kreukelen
    Ik kreukel.
  2. gebiedende wijs van kreukelen
    Kreukel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kreukelen
    Kreukel je?

Meer informatie