krassen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kras·sen
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘een scherp geluid geven, inkervingen maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1420 [1]

Zelfstandig naamwoord

krassen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kras

Werkwoord

krassen

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
krassen
kraste
gekrast
zwak -t volledig
  1. strepen of inkervingen maken
    • De kleuter kraste maar wat met haar potlood in het schrift en de ouders dachten dat het mooie figuren waren. 
  2. een raspend geluid maken
    • Het kraai krast, je kunt dat geluid echt niet zingen noemen. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen