krasje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kras·je

Zelfstandig naamwoord

krasje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord kras


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • kras·je
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Engelse woord crash.
vervoeging
onbepaalde wijs krasje
tegenwoordige tijd krasjer
verleden tijd krasjet
krasja
voltooid
deelwoord
krasjet
krasja
onvoltooid
deelwoord
krasjende
lijdende vorm krasjes
gebiedende wijs krasj
vervoegingsklasse Klasse 1 zwak
opmerking

Werkwoord

krasje

  1. onovergankelijk, (verkeer) botsen
    «Politiet fikk melding om at en bil hadde krasjet i fjellveggen.»
    De politie werd gemeld dat een auto tegen een rotswand was gebotst.
  2. onovergankelijk, (luchtvaart) crashen, neerstorten, slaags raken
    «Et fly krasjet kort etter avgang og alle om bord blir drept.»
    Een vliegtuig stortte neer kort na het opstijgen en alle aan boord worden gedood.
  3. onovergankelijk, (informatica) vastlopen
    «Min gamle PC har krasjet og er på verksted.»
    Mijn oude PC is vastgelopen en is op de werkplaats.
Vaste voorzetsels
Synoniemen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • kras·je
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Engelse woord crash.
vervoeging
onbepaalde wijs krasje
krasja
tegenwoordige tijd krasjar
verleden tijd krasja
voltooid
deelwoord
krasja
onvoltooid
deelwoord
krasjande
lijdende vorm krasjast
(bijvorm): krasjas
gebiedende wijs krasj
krasja
krasje
vervoegingsklasse Klasse 1 zwak
opmerking

Werkwoord

krasje

  1. onovergankelijk, (verkeer) crashen
  2. onovergankelijk, (luchtvaart) neerstorten, slaags raken
  3. onovergankelijk, (informatica) vastlopen
Vaste voorzetsels
Schrijfwijzen
Synoniemen