krap

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • krap
Woordherkomst en -opbouw
  • bn: In de betekenis van ‘nauw’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1598.[1]
  • znw: Middelnederlands crappe ‘haak, kram, deurhengsel’.[2] Evenals Luxemburgs Krop ‘haak’, Duits Krapfen ‘slagveerhoek; in vet of olie gebakken deeggerecht’.[3]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen krap krapper krapst
verbogen krappe krappere krapste
partitief kraps krappers -

Bijvoeglijk naamwoord

krap

  1. met een kleine maat die nauw sluit
    • Angelique had een krappe broek gekocht die haar fraaie lichaam accentueerde. 
enkelvoud meervoud
naamwoord krap krappen
verkleinwoord krapje krapjes

Zelfstandig naamwoord

krap v/m

  1. boekslot
  2. kalfring: ring om de horens van jonge koeien, die zich vormt, telkens als zij gekalfd hebben
  3. (Noordoost-Nederlands) wervel of kruk aan een deur of venster
  4. (Limburg) kaantje

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. "krap" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Jan de Vries, Nederlands Etymologisch Woordenboek, 4de druk, bewerkt door Felicien de Tollenaere, Leiden: Brill, 1997, blz. 357.
  3. Antonius Angelus Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek, 2de druk, Assen: Sdu Uitgevers, 2003, blz. 195.