krantenknipsel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

krantenknipsel
Uitspraak
Woordafbreking
  • kran·ten·knip·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord krantenknipsel krantenknipsels
verkleinwoord krantenknipseltje krantenknipseltjes

Zelfstandig naamwoord

krantenknipsel o [1]

  1. een artikel dat men uit de krant heeft geknipt om te bewaren
    • Furnivall wist sinds het begin van dat noodlottige jaar, 1910, dat hij stervende was. Hij bleef tot het eind onderhoudend en energiek, roeide zijn bootje in Hammersmith, flirtte met zijn serveersters in de ABC-theesalon en stuurde zijn dagelijkse pakketje met woorden en krantenknipsels naar de hoofdredacteur van het project waarmee hij bijna een halve eeuw nauw verbonden was geweest.[2] 
    • Wil van Laarschot-Heijmans uit Enschede attendeert de redactie met het krantenknipsel op de 'koolrabi', een plant waarvan alles gegeten kan worden. De kool smaakt als koolraap, de stelen en het blad als kool. "Wat goed om bij alle eetgekte van tegenwoordig eens terug te gaan naar af", is de reactie van deze abonnee op ons artikel van vorige week over 'Wat aten we in oorlogstijd?'.[3]  
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Winchester, Simon De gekwelde woordenaar vertaald door Peter Out 1998 ISBN 90-254-2146-6 pagina 213
  3. Tubantia Dolf Ruesink 19-06-2017