Naar inhoud springen

krammen

Uit WikiWoordenboek
  • kram·men
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
krammen
kramde
gekramd
zwak -d volledig

krammen

  1. overgankelijk vastmaken met behulp van metalen staafjes die aan beide uiteinden ombuigen tot een haakje dat in het te bevestigen materiaal wordt gestoken
     Bij honderden waren de mensen doende boten te bouwen en te herstellen, te krammen en te snoeren; er werden kabels van bast gedraaid en klampen gesmeed zelfs waar het ijzer schaarser was dan ooit.[3]

dekrammenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kram
     Op het erf aan de achterzijde van een van de huizen vonden de archeologen veel scheepsmateriaal, waaronder een houten onderdeel van een lier, scheepshout en sintels, de ijzeren krammen die het breeuwsel tussen de scheeepsnaden op zijn plaats hielden.[4]
81 %van de Nederlanders;
84 %van de Vlamingen.[5]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. krammen op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 8 april 2025 Weblink bron “Het zwaard, de zee en het valse hart.” (1966), Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels / Commissie voor de Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek, Amsterdam, p. 57
  4. Bronlink geraadpleegd op 8 april 2025 Weblink bron
    Theo Toebosch
    “Groot middeleeuws zeil gevonden” (3 december 2015) op nrc.nl op Wikipedia
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be