Naar inhoud springen

krak

Uit WikiWoordenboek
  • krak

[A] krak

  1. weergave van het korte scherpe geluid zoals men hoort wanneer stijve voorwerpen breken of dreigen te breken
    • 'Pap, ik geloof dat ik weet wat een wonder is. Moet je horen: Twee oudjes hadden eens een kipje, en dat kipje heette Stipje. 't Legt een eitje voor de ouden, geen gewoon, maar een gouden. Man sloeg met een bezemsteel, maar het eitje bleef toch heel. Vrouw sloeg met een bezemsteel, maar het eitje bleef toch heel. Toen kwam er een muisje aan, dat ging met zijn staartje slaan, en warempel, dat ging lukken, 't eitje viel in duizend stukken. Eerst huilt hij, dan huilt zij, daarna huilen allebei..: Vader: 'Logisch gezien is het volstrekt absurd. Ze slaan op het eitje, maar het breekt niet, en dan ineens krak! Toch luisteren kinderen al jaren, wat zeg ik, eeuwen, naar dat sprookje als naar een gedicht:[5] 
[A], [B] enkelvoud meervoud
naamwoord krak krakken
verkleinwoord krakje krakjes

[A]dekrakm

  1. kort scherp geluid zoals men hoort wanneer stijve voorwerpen breken of dreigen te breken

[B]dekrakm

  1. (Surinaams-Nederlands) gaffelvormige stut
vervoeging van
krakken

krak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krakken
    • Ik krak. 
  2. gebiedende wijs van krakken
    • Krak! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krakken
    • Krak je? 
92 %van de Nederlanders;
97 %van de Vlamingen.[6]