kosterij

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

de kosterij Groningen
Uitspraak
Woordafbreking
  • kos·te·rij
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van koster met het achtervoegsel -ij
enkelvoud meervoud
naamwoord kosterij kosterijen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kosterij v [1]

  1. woning waarin de koster van een kerk woont
    • Het onweerde en een sluierdichte plasregen sloeg en beukte op het kerklichaam. Hij hoorde het geruis, dat razendsnel aanzwol. Verticale rivieren stroomden langs de muren, verzamelden zich in goten en raasden verder de diepte in. De goten overstroomden, de regenpijpen spuwden het uit maar konden de toevloed niet aan. Watervallen stortten omlaag over hooggelegen richels en lagergelegen nokken, waar onder deze omstandigheden geen duif te bekennen was. Op de zwart glinsterende dakpannen van de kosterij spatten metershoge fonteinen op. [2] 
    • Het gebouw heeft vier verdiepingen. Naast een lounge, een activiteitenruimte en een kosterij met bar heeft de kerk een sociaal café, een pantry, een vergaderruimte en ruimten voor kinderopvang en kantoren. De kerkzaal bevindt zich op de tweede verdieping met ruimten voor bijbelstudie, een stiltecentrum, pastoraat en een keuken. De kerkzaal krijgt een multifunctioneel karakter en wordt ook gebruikt voor conferenties en symposia. De derde en vierde verdieping telt twaalf slaap- en twee recreatieruimten, twee keukens, een kamer voor de arts, een bibliotheek en sanitaire voorzieningen.[3]  
Synoniemen
Hyperoniemen


Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders;
54 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Valens, Anton Het boek ont 2012 ISBN 978-90-457-0473-9 pagina 9
  3. NRC Peter Zantingh 2 juni 2013
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be