korzelig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kor·ze·lig
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘ontstemd’ voor het eerst aangetroffen in 1610 [1]
  • afgeleid van korzel met het achtervoegsel -ig [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen korzelig korzeliger korzeligst
verbogen korzelige korzeligere korzeligste
partitief korzeligs korzeligers -

Bijvoeglijk naamwoord

korzelig [3]

  1. in een wat ontstemde, dysforische, boze, geprikkelde, ongeduldige stemming zijn
    • Voor haar stond Jules, de regisseur van de ochtenduitzending, die weer eens als laatste op de redactie verscheen. ` Heb je nog wat?' `Ja,' reageerde Chantal korzelig. Het liefst zou ze hem een lesje willen leren over collegialiteit. Waarom kon hij niet een kwartiertje eerder op zijn werk zijn om haar te helpen een keuze te maken uit het nieuwsaanbod. Met een half oog keek ze naar de andere mails. Was er niets anders gebeurd, iets spectaculairs, waardoor ze het onderwerp Rebeyrat kon laten rusten? Het waren de gebruikelijke afzenders met — waarschijnlijk — hun gebruikelijk saaie berichtjes. [4] 
    • Volgens het Permanent Hof van Arbitrage in Den Haag kan China geen aanspraak maken op koraalriffen en onbewoonde eilandjes in de Zuid-Chinese Zee. De Filipijnen halen daarmee hun slag thuis. China heeft al korzelig gereageerd op de uitspraak en is niet van plan er rekening mee te houden. 'Ons leger staat klaar om onze soevereiniteit en maritieme belangen te verdedigen', klinkt het.[5]  
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.

Verwijzingen