korte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kor·te

Bijvoeglijk naamwoord

korte

  1. verbogen vorm van de stellende trap van kort

Meer informatie


Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • kor·te
Naar frequentie 3653

Bijvoeglijk naamwoord

korte, g / o

  1. bepaalde vorm enkelvoud van de stellende trap van kort

korte, mv

  1. onbepaalde en bepaalde vorm meervoud van de stellende trap van kort
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
korte
korter
kortede
kortet
volledig

Werkwoord

korte

  1. inkorten, korten
Afgeleide begrippen


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • kor·te
Naar frequentie 4779

Bijvoeglijk naamwoord

korte, m / v / o

  1. bepaalde vorm enkelvoud van de stellende trap van kort

korte, mv

  1. onbepaalde en bepaalde vorm meervoud van de stellende trap van kort
vervoeging
onbepaalde wijs korte
tegenwoordige tijd korter
verleden tijd korta
kortet
voltooid
deelwoord
korta
kortet
onvoltooid
deelwoord
kortende
lijdende vorm kortes
gebiedende wijs kort
vervoegingsklasse Klasse 1 zwak
opmerking

Werkwoord

korte

  1. overgankelijk inkorten, korten
Afgeleide begrippen



Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • kor·te

Bijvoeglijk naamwoord

korte, m /v / o

  1. bepaalde vorm enkelvoud van de stellende trap van kort

korte, mv

  1. onbepaalde en bepaalde vorm meervoud van de stellende trap van kort
vervoeging
onbepaalde wijs korte
korta
tegenwoordige tijd kortar
verleden tijd korta
voltooid
deelwoord
korta
onvoltooid
deelwoord
kortande
lijdende vorm kortast
gebiedende wijs kort
korta
korte
vervoegingsklasse Klasse 1 zwak
opmerking

Werkwoord

korte

  1. overgankelijk inkorten, korten
  2. overgankelijk, (wiskunde) vereenvoudigen (in het rekenen met breuken)
Synoniemen
Afgeleide begrippen