korengeest

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ko·ren·geest
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord korengeest [1] korengeesten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

korengeest m

  1. magisch wezen dat zich volgens het bijgeloof tussen het graan op de akkers verschuilt
    • In de "heidense" midwintertijd werd het Joelstro (genoemd naar het Joelfeest, het midwinterfeest) uitgespreid over de vloer van de kamer, uitgestrooid over de velden en om bomen gebonden om de vruchtbaarheid te bevorderen. Daarvoor werden de laatste schoven van de oogst gebruikt omdat daarin de korengeest zou wonen. En de korengeest zou ervoor kunnen zorgen dat er het volgend jaar weer een goede oogst zou komen. [4]
    • Het leek hem een verschijning van een korengeest: een maaier, die al lang dood was, was opgestaan om hem te komen helpen! [5]
  2. (drinken) (verouderd) uit graan gestookte brandewijn
    • Een keurbende in de bestrijding van het alcoholmisbruik zullen de artsen vormen. Het behoort tot de ideale zijden van zijn edel ambt, dat een wijze geneesheer zijdelings veel vermag voor de psyche en tot zedelijke verbetering. De arts achterhaalt den vluggen korengeest in het gefolterd en verzwakt organisme en bestudeert de middelen om den noodlottigen verwoester te overwinnen. [6]
    • Daartegen heb ik mijn' vriend K...., die, door korengeest en druivensap bezield, verzen maakt gelijk Homerus, en die Belisarius bezongen heeft. [7]

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen