koppelaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kop·pe·laar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord koppelaar koppelaars
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

koppelaar m [1]

  1. (beroep) (familie) iemand die probeert om mensen in contact met elkaar te brengen om een huwelijk te bewerkstelligen
    • Tineke is een van de 28 single 50-plussers die een boswandeling maken. Het wandelen voor singles is een samenwerking tussen Staatsbosbeheer en datingsite Relatieplanet. De boswachter als koppelaar? Het was ook even wennen voor Koetsier. „Toen ik het hoorde, heb ik wel even gevraagd wat dit precies betekende voor mij.” Normaal leidt hij groepen schoolkinderen rond.[2] 
  2. (beroep) iemand die gelegenheid geeft tot het plegen van ontucht
  3. iemand die probeert mensen van verschillende groepen met elkaar in contact te brengen
    • Met 'Ali B op volle toeren' gaf de knuffelrapper zijn televisiecarrière vleugels. De rol van koppelaar van rappers en veteranen van het Nederlandse lied, bleek hem op het lijf geschreven. [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Bas Tooms 25 april 2016
  3. Volkskrant 24 maart 2014