koploper

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kop·lo·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord koploper koplopers
verkleinwoord koplopertje koplopertjes

Zelfstandig naamwoord

koploper m

  1. lijstaanvoerder van een sportcompetitie
  2. iets dat of iemand die op een bepaald gebied een leidende positie inneemt
     Meteen na de start, meldde ze zich vooraan, pal achter Can, en pal voor Grøvdal en de Zwitserse Fabienne Schlumpf. Maar gaandeweg begon ze van vermoeidheid te trekkebekken en kort daarop groeide het gat met de koplopers, Can, Schlumpf en uiteindelijk ook de Noorse.[1]
  3. Intercitymaterieel, treinstel van de Nederlandse Spoorwegen
Afkorting
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Rob Gollin “Te grote ambitie kost Krumins een medaille bij EK cross” (9 december 2018), de Volkskrant
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be