komst
Uiterlijk
- komst
- In de betekenis van ‘het komen’ voor het eerst aangetroffen in 1236 [1]
- Naamwoord van handeling van komen met het achtervoegsel -st. [2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | komst | komsten |
| verkleinwoord | - | - |
de komst v
- het feit dat iemand of iets komt
- De komst van de computer heeft tot grote veranderingen in ons leven geleid.
- ▸ Giorgos duikt meteen het enige restaurant in dat dit dorp telt, om onze komst alvast aan te kondigen.[3]
- het geboren worden van iemand
- ▸ Terwijl mijn zoon in mijn binnenste begon aan een duizelingwekkende ontwikkeling van klompje cellen naar prehistorisch weekdier naar foetus, begon ik me af te vragen wat zijn aanstaande komst precies betekende.[4]
- ▸ Maar ook dat we, met de komst van de tweede, onze eerste niet alleen iets zouden geven, maar haar ook iets zouden afnemen.[4]
- Het woord komst staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "komst" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[5] |
- ↑ "komst" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ komst op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Ronald Giphart e.a.“Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
- 1 2 Lynn Berger“De tweede: over het zijn en krijgen van een tweede kind” (2021), De Correspondent, ISBN 9789082821697
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be