kokken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kok·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kokken
kokte
gekokt
zwak -t volledig

Werkwoord

kokken

  1. kokhalzen
    • Er waren weken dat ik meer dan twee keer per dag moest kokken door het hoesten. 
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

kokken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kok
Verwante begrippen

Gangbaarheid

75 % van de Nederlanders;
56 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Noors

Woordafbreking
  • kok·ken
Naar frequentie 5235

Zelfstandig naamwoord

kokken, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van kokk

Zelfstandig naamwoord

kokken, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van kokke
Schrijfwijzen


Nynorsk

Woordafbreking
  • kok·ken

Zelfstandig naamwoord

kokken, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van kokk