kokhalzen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
kokhalzen kokhalzend
gekokhals


Woordafbreking
  • kok·hal·zen
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van kok (klanknabootsing) en hals met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kokhalzen
kokhalsde
gekokhalsd
zwak -d volledig

Werkwoord

kokhalzen

  1. (inergatief) bijna moeten overgeven als reactie iets wat misselijkheid veroorzaakt of iets wat in de keel steekt
    Ook de journalisten die getuige waren van de gebeurtenissen op de campus van UC Davis kokhalsden van de pepperspray.
  2. (inergatief) (figuurlijk) walgen
    Hij kokhalst van het slaafse gedrag van zijn collega's.