koepel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Het oog van de koepel van het Pantheon

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • koe·pel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘halfbolvormige overwelving’ voor het eerst aangetroffen in 1600 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord koepel koepels
verkleinwoord koepeltje koepeltjes

Zelfstandig naamwoord

koepel m

  1. (bouwkunde) een gewelf in de vorm van een halve bol of een halve ellipsoïde
    • Het Pantheon van Rome is één van de oudste koepels. 
     Ik keek. De gestrenge gevels met de arcades stuurden de blik met majesteitelijk gezag in de richting van de basiliek van San Marco, die met haar koepels en ronde vormen een bubbelend en bijna buitenaards contrast vormde met het wereldse machtsvertoon van het plein.[3]
  2. (wiskunde) een ruimtelijke figuur, veelvlak
    • Een vijfhoekige koepel is in de meetkunde een Johnson-lichaam. 
  3. (in samenstellingen van woorden) een overkoepelend orgaan
    • Volgens de koepelorganisatie van wooncorporaties ligt de oorzaak onder meer in de hoge prijs van de koopwoningen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen