koelhuis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

koelhuis in Loppersum
Uitspraak
Woordafbreking
  • koel·huis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord koelhuis koelhuizen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

koelhuis o [1]

  1. (bedrijf) een gebouw waarin men bederfelijke waar door koeling langer goed kan houden
    • „Gino is zo’n jongen die is geboren met diesel in het bloed”, zegt baas Van Opzeeland. Gino’s vader werkt bij hetzelfde bedrijf en werkte er al toen Kivits nog met acht vrachtwagens door het land reed, Gino ging als klein manneke al mee op de truck. In de afgelopen vijftien jaar is het logistiekbedrijf gegroeid van zes trucks, één koelhuis en elf personeelsleden naar honderd trucks, tien koelhuizen en 250 personeelsleden, vertelt Van Opzeeland trots.[2] 
    • Een speciaal team heeft begin april 72 kilo cocaïne onderschept die in een koelcontainer met garnalen was verstopt. De cocaïne, met een waarde van 2 miljoen euro, werd gevonden bij een koelhuis in Rotterdam. Alles is inmiddels vernietigd. Er is nog niemand aangehouden in verband met de vondst. De container was afkomstig uit Ecuador en was via twee Panamese havens naar Nederland gekomen.[3]  
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Alex van der Hulst 11 november 2015
  3. Volkskrant 19 april 2013,