knor

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • knor

Werkwoord

vervoeging van
knorren

knor

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knorren
    • Ik knor. 
  2. gebiedende wijs van knorren
    • Knor! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knorren
    • Knor je? 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be