knolgewas

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

aardappelplant
Uitspraak
Woordafbreking
  • knol·ge·was
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord knolgewas knolgewassen
verkleinwoord knolgewasje knolgewasjes

Zelfstandig naamwoord

knolgewas o [1]

  1. (plantkunde) een gewas dat om de knol geteeld wordt
    • De foodietrend is definitief doorgeslagen: laatst stuitten we op een recept voor een biologische berenhap, met shiitake, sjalotjes en knolgewas. Er werd een wijn met aardse aroma’s bij aangeraden. Kom op mensen, dit gaat te ver. We weten allemaal dat niets de echte berenhap verslaat: die heerlijke combinatie van gefrituurd gehakt, ui en pindasaus. Of neem anders de sitostick, een ondergewaardeerde snack van kalkoen, wederom met ui en uiteraard gefrituurd. Erbij nemen we een blikje Ferdandes.[2] 
    • Word je oranje als je te veel wortels eet?: In dit geval is de uitspraak 'je bent wat je eet' wel heel letterlijk. Wie zich als een konijn dagelijks aan enkele wortels laaft, loopt al het risico van een overschot aan vitamine A en een lichte gelijkenis met het knolgewas.[3]  
Hyponiemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Martine Kamsma, Merlijn Kerkhof, Floor Rusman 22 augustus 2015
  3. Volkskrant Ianthe Sahadat 2 juli 2016,