knevelaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kne·ve·laar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord knevelaar knevelaars
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

knevelaar m [1]

  1. iemand die een ander knevelt
    • Vorige week zag ik een tv-documentaire over de Fassbinder-affaire, die speelde in 1987. De reconstructie moet vooral pijnlijk zijn geweest voor rabbijn Soetendorp en voor een aantal joodse organisaties. Nu alles chronologisch achter elkaar was gezet, zag je de zeepbel van het vermeend antisemitisme uit elkaar spatten. Je zag ook hoe bij Soetendorp het verstand werd overgenomen door de woede en je zag het moment van helderheid waarop hij zich realiseerde hoe hij van aanklager in een knevelaar was veranderd. [2] 
    • Het bindmiddel van alle knevelaars, of het nu de bestuurders van Pruisen waren of de autoriteiten van Westfalen, was de censuur, constateerde de dichter ironisch. [3] 
    • Anderen, zeg maar de BUMA/Stemra-achtigen, halen de knevels te voorschijn uit angst voor financiële schade, een probleem dat in de toekomst zeker serieus kan worden, maar dat, gezien de vele tegenstrijdige belangen, heel voorzichtig moet worden aangepakt. Tegenover al deze would-be knevelaars uit eigenbelang hoort een rationele, koel denkende overheid te staan, die de belangen en vrijheden van de individuele burger in de gaten houdt, gesteund door niet minder koel denkende rechtsgeleerden. [4] 
  2. iemand die een ander afperst
Synoniemen


Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Max Pam 12 februari 1999 Antisemitisme
  3. NRC Martin van Amerongen 19 oktober 1990 Harry Mulisch kon er niet om lachen
  4. NRC Rik Smits 10 mei 1997 Pasjes en knuppels