kneuter
Naar navigatie springen
Naar zoeken springen
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- kneu·ter
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kneuter | kneuters |
| verkleinwoord | kneutertje | kneutertjes |
Zelfstandig naamwoord
- (vogels) Carduelis cannabina
, een vinkachtige zangvogel
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| kneuteren |
kneuter
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kneuteren
- Ik kneuter.
- gebiedende wijs van kneuteren
- Kneuter!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kneuteren
- Kneuter je?
Gangbaarheid
- Het woord kneuter staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek uit 2013 werd "kneuter" herkend door:
| 86 % | van de Nederlanders; |
| 60 % | van de Vlamingen.[3] |
Verwijzingen
- ↑ kneuter op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be