kneuter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Carduelis cannabina
Uitspraak
Woordafbreking
  • kneu·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kneuter kneuters
verkleinwoord kneutertje kneutertjes

Zelfstandig naamwoord

kneuter m [2]

  1. (vogels) Carduelis cannabina op Wikispecies, een vinkachtige zangvogel
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kneuteren

kneuter

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kneuteren
    • Ik kneuter. 
  2. gebiedende wijs van kneuteren
    • Kneuter! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kneuteren
    • Kneuter je? 

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
62 % van de Vlamingen.

Verwijzingen