kneedbaar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kneed·baar
Woordherkomst en -opbouw

afleiding van naamwoord van handeling kneden met het achtervoegsel -baar

stellend vergrotend overtreffend
onverbogen kneedbaar kneedbaarder kneedbaarst
verbogen kneedbare kneedbaardere kneedbaarste
partitief kneedbaars kneedbaarders -

Bijvoeglijk naamwoord

kneedbaar

  1. wat door bewerken met de handen soepel gemaakt kan worden
    • Laat het mengsel koken tot een theelepeltje stroop in een glas water een balletje vormt dat nog kneedbaar is met de vingers. [1]  
  2. als iemands mening of gedrag zich kan aanpassen
    • Oudere arbeidskrachten zuchten onder vooroordelen - ze zouden vaker ziek zijn, minder kneedbaar en te duur. [2]  

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Janneke Vreugdenhil NRC 4 september 2015
  2. Wouter van Cleef NRC 10 mei 2016