knagen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kna·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘een aanhoudende onaangename gewaarwording veroorzaken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1569 [1]
  • In de betekenis van ‘kleine stukjes afbijten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1290 [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
knagen
knaagde
geknaagd
zwak -d volledig

Werkwoord

knagen

  1. met de tanden aanvreten
    • Termieten knagen aan alles wat van hout gebouwd is. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen