knabbelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • knab·be·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
knabbelen
knabbelde
geknabbeld
zwak -d volledig

Werkwoord

knabbelen

  1. inergatief ~ aan, ~ op met de tanden stukjes ergens van afbijten
    • Het konijn knabbelde aan het worteltje. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.