Naar inhoud springen

kluwen

Uit WikiWoordenboek
Kluwen wol
  • klu·wen
  • In de betekenis van ‘tot een bol opgewonden draad’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240.[1]
  • erfwoord: Middelnederlands clūwen, clouwen, cluen, clūwijn, ontwikkeld uit Oergermaans *klewīna-, verkleinwoord bij *klewan- ‘samengebalde massa’ (waaruit Oudnoords klé ‘steen aan weefstoel om de draden te spannen’), bij Indo-Europees *gleuh₂- ‘bolvormig voorwerp’, waartoe ook Middeliers glao, glau ‘bal’, Oudgrieks gloutós ‘bil’ en Sanskriet glāu- ‘bal, kogel’ behoren.[2][3] Evenals Nederduits Kluven, Duits Knäuel en Fries kleaune.
enkelvoud meervoud
naamwoord kluwen kluwens
verkleinwoord kluwentje kluwentjes

kluwen m en o

  1. los om zichzelf opgewonden hoeveelheid wol, garen enz
    • Ik heb nog een kluwen rode wol, daarmee komt de trui wel af. 
96 %van de Nederlanders;
94 %van de Vlamingen.[4]