kluwen
Uiterlijk

- klu·wen
- In de betekenis van ‘tot een bol opgewonden draad’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240.[1]
- erfwoord: Middelnederlands clūwen, clouwen, cluen, clūwijn, ontwikkeld uit Oergermaans *klewīna-, verkleinwoord bij *klewan- ‘samengebalde massa’ (waaruit Oudnoords klé ‘steen aan weefstoel om de draden te spannen’), bij Indo-Europees *gleuh₂- ‘bolvormig voorwerp’, waartoe ook Middeliers glao, glau ‘bal’, Oudgrieks gloutós ‘bil’ en Sanskriet glāu- ‘bal, kogel’ behoren.[2][3] Evenals Nederduits Kluven, Duits Knäuel en Fries kleaune.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kluwen | kluwens |
| verkleinwoord | kluwentje | kluwentjes |
- los om zichzelf opgewonden hoeveelheid wol, garen enz
- Ik heb nog een kluwen rode wol, daarmee komt de trui wel af.
1. tot een bol opgewonden draad
- Het woord kluwen staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "kluwen" herkend door:
| 96 % | van de Nederlanders; |
| 94 % | van de Vlamingen.[4] |
- ↑ "kluwen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ kluwen op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Kroonen, Guus, Etymological Dictionary of Proto-Germanic, Leiden: Brill, 2013; blz. 292
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be