klis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klis
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘plantengeslacht’ voor het eerst aangetroffen in 1301 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord klis klissen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

klis v / m [3] [4] [5] [6]

  1. (plantkunde) Arctium op Wikispecies een geslacht van planten uit de familie Asteraceae met stekelige, droge bloemen
  2. (plantkunde) Arctium op Wikispecies bloemhoofdje met stekels van zo'n plant
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
klissen

klis

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klissen
    • Ik klis. 
  2. gebiedende wijs van klissen
    • Klis! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klissen
    • Klis je? 

Gangbaarheid

56 % van de Nederlanders;
59 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen