klinken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klin·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
klinken
klonk
geklonken
klasse 3 volledig

Werkwoord

klinken

  1. absoluut een bepaald geluid (klank) voortbrengen
    • Die kerkklok klinkt heel helder. 
  2. inergatief een glas tegen dat van een ander stoten bij een heildronk, proosten
    • graag willen we samen met u klinken 
  3. overgankelijk met klinknagels vastmaken, vastklinken
  4. overgankelijk vastspijkeren
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • een klinkende indruk maken
  • iemand in de boeien klinken
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

klinken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord klink


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie